Voorwoord

Dit is het voorwoord van het boek:

Management zoals we het al meer dan honderd jaar kennen, heeft zijn langste tijd gehad. Niet alleen blijkt het niet meer in staat de problemen van en in organisaties op te lossen, het is zelf een bron van problemen geworden. In geen enkel opzicht lijken organisaties nog op de ideale plaatjes die ze ons, en vooral zichzelf, voorspiegelen. We leven bij lange niet in de Ideale Wereld die ons ooit beloofd is.

Mijn ouders, getrouwd aan het begin van de Tweede Wereldoorlog en daarna meegezogen in de euforische ontwikkelingen van de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, gingen uit van een Ideale Wereld. Mijn vader was politieofficier en zag het als zijn taak om alle initiatieven uit te roeien die ingingen tegen de openbare orde, tegen de Ideale Wereld. En mijn moeder was vastbesloten om mij voor al het onheil te behoeden dat zij tijdens de oorlog had meegemaakt en deed er alles aan om mij naar een Ideale Wereld te leiden.

Ook op school werden we opgeleid voor een toekomst in de Ideale Wereld en bij de boyscouts riepen we elke week: ‘Wij doen ons best!’ De Franse filosoof Rousseau schreef immers: ‘Tout sera pour le mieux dans le meilleur des mondes possibles’ (alles zal op zijn best zijn in de best mogelijke wereld).

Ook de academische wereld, waarin ik tegen het einde van mijn studies in terecht kwam, gaat uit van een Ideale Wereld: daar was de rust, ruimte en budgetten om zich aan ‘waardenvrij’ onderzoek te wijden.

Toen ik in 1979 het ouderlijke huis uit was en Khomeini mij van mijn researchbudget beroofd had, kwam ik met een smak in het bedrijfsleven terecht. De cultuurshock was enorm.

Ik ging aan de slag bij De Morgen, een krant die elke dag moest vechten om te overleven, niet in het minst omdat de aandeelhouders er door interne agenda’s niet toe kwamen om het kapitaal vol te storten. Een krant ook die stuurloos tussen doelgroepen laveerde omdat de redactie het niet eens kon worden over de politieke lijn. Ik was er een van de idealisten die dag en nacht werkten om het schip drijvende te houden. Tot er een nieuwe Rraad van Bestuur kwam die zich luidop afvroeg met welk deel van de opbrengst  van een serie benefietavonden met artiesten als Tom Lanoye, Urbanus en Raymond van het Groenewoud ik er wel vandoor was. De grote namen traden echter weliswaar gratis op, maar de begeleidende muzikanten moesten wel betaald worden.

In mijn volgende baan, bij Krantengroep De Standaard, rapporteerde ik aan een commercieel directeur die zijn advertentiebudgetten binnenhaalde tijdens Belgische lunches met mediaplanners en bijgevolg elke namiddag stomdronken achter zijn bureau zat.

Tussendoor mocht ik nog een intermezzo plegen: mijn dienstplicht. Ik was ‘Onderofficier belast met de coördinatie tussen de Belgische Krijgsmacht en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen voor alle militaire transporten per spoor in de Provincie Antwerpen’. Een serie besparingsmaatregelen had deze transporten echter allemaal afgeschaft. Voor deze moeilijke opdracht had ik een chauffeur en een secretaris ter beschikking. In de praktijk nam ik de telefoon aan voor de commandant, die elke dag met zijn vriendin op de tennisclub – en elders, neem ik aan – te vinden was. Aan mij de taak zijn echtgenote te melden dat hij met manoeuvres bezig was. Nou ja, een leugen was het niet helemaal.

 --> lees verder

Bekijk de inhoud van het boek op Slideshare (met geluid).
Of bekijk het introductiefilmpje op YouTube.

Wil u de zombies in uw eigen organisatie te lijf gaan? Kijk hier hoe dat kan!

Bestel het boek nu!